Generic selectors
Exact matches only
Zoek een titel
Zoek in de Gestelde Vragen
Zoek een Artikel
Zoek naar Thema's
Filter by Categories
Mensbeeld
Relatie
Religie
Samenleving
Technologie
Uitgelicht
Wetenschap
Zingeving

De (on)redelijkheid van het (on)geloof

27 03 2018

Moet je gek zijn om in God te geloven? Naïef, onkritisch en zweverig? Of is geloven in God minder dom dan het lijkt? Over deze vragen gaat het boek ‘God bewijzen: argumenten voor en tegen geloven’ (2013). Diverse gelovige én niet-gelovige wetenschappers wekten eraan mee. In 2014 schreef filosoof Leon de Bruin (Radboud Universiteit) de volgende recensie over ‘God bewijzen’, in het wetenschappelijke tijdschrift Radix. Zijn conclusie? “Het beste boek van dit moment als het gaat om de redelijke verdediging van geloof in God.” Een prima reden om deze recensie door te plaatsen. En natuurlijk omdat het een mooie aanvulling is op dit artikel.

Stel je een zevenpuntsschaal voor. Positie 1, helemaal links, staat voor ‘volkomen overtuigd van het bestaan van God’. Positie 7, helemaal rechts, staat voor ‘volkomen overtuigd dat er geen God is’. Neem nu de posities 3, 4 en 5 en je hebt de doelgroep van ‘God bewijzen’ te pakken, zo stellen de schrijvers van het boek. Dat zijn mensen voor wie het bestaan van God twijfelachtig is. Aan deze mensen willen de auteurs uitleggen wat er redelijk is aan gelovig zijn, zonder retorische trucjes of evangeliserende foefjes. Daarbij is het niet de bedoeling om twijfelaars over de streep te trekken en te werven voor religie. Nee, de auteurs willen “slechts een aantal vanzelfsprekendheden ontmaskeren en zo een tegenwicht geven aan de vele atheïstische literatuur die de laatste jaren over Nederland spoelt”.

De vloer aanvegen

In alle nuchterheid, want “We gaan hier niet net doen alsof niemand onder onze argumenten uit kan (…) zeker bij dit soort discussies is er altijd een andere route denkbaar” (329). Desondanks is het boek toch vrij polemisch geschreven en moeten Paas en Peels zich soms inhouden om niet de vloer aan te vegen met (de argumenten van) hun tegenstanders. Zo lezen we bijvoorbeeld een aantal keer dat het atheïsme als intellectuele positie ‘onhoudbaar’ is (221), en dat alternatieven voor geloof in God leiden aan ‘serieuze defecten’ (278). Niet dat dit afbreuk doet aan het boek – integendeel. Het illustreert juist dat de rationaliteit van het geloof een zaak is die de auteurs aan het hart gaat en ze niet onberoerd laat. En daar is helemaal niets mis mee. Zoals William James al zei: “Pretend what we may, the whole man within us is at work when we form our philosophical opinions. Intellect, will, taste, and passion cooperate”.

“Waarom zou je je moeten rechtvaardigen voor iets wat natuurlijk, gezond en uiterst nuttig is?”

Bovendien blijft het allemaal nog zeer redelijk en beleefd in vergelijking met de warfare rhetoric die we tegenkomen in de boeken van Dick Swaab of Richard Dawkins. Het boek kent een vijftal hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk zet meteen de toon: de auteurs stellen dat de gelovige zijn geloof niet hoeft te rechtvaardigen, omdat geloven een natuurlijke, gezonde en uiterst nuttige gewoonte is. En waarom zou je je moeten rechtvaardigen voor iets wat natuurlijk, gezond en uiterst nuttig is? De bewijslast ligt bij de ongelovige, die moet eerst maar eens een paar goede argumenten op tafel leggen. Daarmee is echter nog niet aangetoond dat het ook rationeel is om te geloven.

Schrijver, cabaretier en televisiepresentator Arjen Lubach ervaart het loslaten van zijn geloof als een bevrijding. De cabaretier vindt het moeilijk om gelovigen serieus te nemen, zegt hij in ‘Adieu God’.

Niet de plicht om bewijzen te overhandigen

Om het voorbeeld van de schrijvers aan te halen: de potentiële klant kan de stofzuigerverkoper wel vertellen dat hij uiterst tevreden is met zijn oude stofzuiger. En daarom weigeren mee te gaan met diens oordeel dat het een gevaarlijk onding is. Maar de stofzuigerverkoper zou nu kunnen eisen dat de klant rapporten overlegt waaruit blijkt dat de stofzuiger inderdaad goed werkt. De voornaamste boodschap van het tweede hoofdstuk is, dat de klant helemaal niet de plicht heeft om dit soort bewijzen te overhandigen. Er is helemaal niets intellectueel problematisch aan religieus geloof, zelfs als er geen argumenten voor zijn. Wat overigens niet betekent dat we zomaar in de gekste dingen mogen geloven zonder hier goede argumenten voor te hebben. Zoals bijvoorbeeld het bestaan van het vliegende spaghettimonster.

“Het bestaan van God verschaft ons, in tegenstelling tot het bestaan van het vliegende spaghettimonster, een antwoord op de grote levensvragen”

Het verschil is dat het bestaan van God, in tegenstelling tot het bestaan van het vliegende spaghettimonster, ons een antwoord verschaft op de grote levensvragen. Maar daarmee zijn we er nog niet, volgens de auteurs. Het kan namelijk zo zijn dat er steengoede argumenten zijn tegen het bestaan van God. Die worden besproken in het derde hoofdstuk, aan de hand van een vijftal categorieën: borreltafelargumenten, projectie-argumenten, a priori argumenten en twee soorten hypothese-argumenten (God als overbodige hypothese, en God als mislukte hypothese). Ook het sterkste argument tegen het bestaan van God gaan de schrijvers niet uit de weg: het probleem van het kwaad. Waarom schept God niet meteen een volmaakte wereld? Waarom wacht hij zo lang?

Meer lezen over dit boek? Bekijk ook deze recensie.

Objectieve maatstaven voor goed en kwaad

Uiteindelijk luidt het antwoord: God heeft geduld, omdat hij wil dat zoveel mogelijk mensen tot geloof in hem komen. En omdat hij geen robots wil, zal hij geen mensen scheppen die al ‘automatisch’ in hem geloven en die niet anders kunnen dan hem liefhebben. Dit lijkt me een redelijk antwoord voor mensen helemaal links op positie 1 en 2 (volkomen overtuigd van het bestaan van God). Maar ik vraag me af wat het doet voor de mensen verder op rechts. In hoofdstuk vier worden de rollen omgedraaid en gaan Paas en Peels in de tegenaanval. Ze richten zich met name op de problemen die het atheïstisme oplevert op het gebied van de moraal.

Het bestaan van objectieve en universeel geldende maatstaven voor goed en kwaad zijn voor sommige gelovigen een bewijs het bestaan van God. Voor de atheïst is dat uiteraard geen optie.

In het alledaagse leven, zo beweren de auteurs, zijn wij er allemaal van overtuigd dat er objectieve en universeel geldende maatstaven zijn voor goed en kwaad (ook wel ‘moreel realisme’ genoemd). De gelovige kan deze maatstaven rechtvaardigen met een beroep op het bestaan van God. Voor de atheïst is dit uiteraard geen optie. Ook de wetenschap biedt hier volgens Paas en Peels geen uitkomst. De conclusie is daarom dat atheïsme intellectueel onhoudbaar en sociaal ongewenst is.

Geen hard bewijs

Pas in het laatste hoofdstuk komen we eindelijk toe aan het daadwerkelijke God bewijzen. Gelukkig gaat dit een stuk genuanceerder dan de titel suggereert: Paas en Peels presenteren een zestal argumenten die bij elkaar opgeteld het waarschijnlijk maken dat God bestaat. Geen hard bewijs dus, maar wie had daar nu echt op gerekend? Overigens is dit hoofdstuk het minst toegankelijk, met name voor diegenen die nog niet eerder hebben gehoord van het kosmologisch argument of het argument van fine-tuning. Voor de lezer die op zoek is naar de redelijkheid van het geloof biedt ‘God bewijzen’ een intellectuele tour de force.

Lees ook deze recensie op ThePostOnline.

Het is zonder meer indrukwekkend te zien hoe Paas en Peels zich voortbewegen te midden van het krachtenveld dat wordt opgeroepen door de tegenstellingen tussen geloof en ongeloof. Tussen redelijkheid en emotie, en wetenschap en filosofie. Uiteraard zijn niet alle argumenten even overtuigend. Het is ook niet altijd even duidelijk wat nu precies redelijk is om te geloven. Zo stellen de auteurs bijvoorbeeld dat we God niet mogen gebruiken om gaten in onze wetenschappelijke kennis op te vullen. “God kan niet wetenschappelijk onderzocht worden: hij is geen empirisch ding dat je kunt meten en voorspellen. Daarom kan ‘God’ nooit een wetenschappelijke verklaring zijn, zelfs al zijn er geen andere wetenschappelijke verklaringen voorhanden.”

“God kan niet wetenschappelijk onderzocht worden: hij is geen empirisch ding dat je kunt meten en voorspellen”

Het mysterie van het bewustzijn

“In de praktijk zullen wetenschappers bij een gat in hun kennis dus zeggen, dat dit probleem nog niet opgelost is, maar dat het mogelijk ooit zal gebeuren. En in de geschiedenis is gebleken dat dit vertrouwen normaal gesproken gerechtvaardigd is. Tal van gaten in onze kennis zijn achteraf ingevuld met andere verklaringen, verklaringen waarvan we begrijpen hoe ze werken en wat ze doen” (150). Dat lijkt me duidelijk en redelijk. Maar als het verderop in het boek gaat over de vraag waarom er dan wel niet bewustzijn is, wordt God opeens weer ten tonele gevoerd. “Als God bestaat is het veel minder mysterieus dat er bewustzijn is. Immers, God is zelf een persoon en heeft bewustzijn, hoewel hij geen lichaam heeft.”

“Als God bestaat, is het veel minder mysterieus dat er bewustzijn is”, schrijven Stefan Paas en Rik Peels in hun boek. “Immers, God is zelf een persoon en heeft bewustzijn, hoewel hij geen lichaam heeft.”

“Het is goed denkbaar dat God daarom in bepaalde omstandigheden aan complexe materie bewustzijn zal toevoegen. We weten niet hoe hij dat doet en we weten ook niet hoe ons bewustzijn precies werkt, maar dat hebben we allemaal niet nodig om te kunnen zeggen dat God een goede verklaring is voor het feit dat wij bewustzijn hebben” (292-293). En nu is ons vertrouwen in de wetenschap volgens de auteurs niet gerechtvaardigd, maar juist problematisch. “Iemand zou kunnen zeggen: ‘Hoor eens, zo gemakkelijk gaat het niet. De wetenschap heeft nu nog geen goede verklaring voor het bestaan van bewustzijn. Daar moet je niet halsoverkop uit afleiden dat God dan bewustzijn gecreëerd heeft. Als we maar lang genoeg wachten, dan komt de wetenschap vanzelf met een goede verklaring en heb je God helemaal niet nodig’. Het probleem met dit antwoord is, dat het nogal dogmatisch is. Waarom zou je denken dat de wetenschap uiteindelijk alles wel kan verklaren, inclusief het menselijk bewustzijn?”

Moeten gelovigen bewijzen dat God bestaat? Reageer hieronder!

Redelijke verdediging van geloof in God

Op het eerste gezicht lijkt hier toch sprake te zijn van een tegenstrijdigheid. Waarom is het menselijke bewustzijn niet toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek? Waarom mogen we God hier wel als verklaring gebruiken? Of gaat het misschien om twee verschillende soorten van verklaringen (bijvoorbeeld ‘waarom iets bestaat’ versus ‘hoe iets werkt’)? Al met al schuilt de kracht van ‘God bewijzen’ niet zozeer in het daadwerkelijke God bewijzen, maar eerder in het ontkrachten van de argumenten tegen het bestaan van God. Daarmee is het op dit moment waarschijnlijk het beste boek dat er op de Nederlandse markt verkrijgbaar is als het gaat om de redelijke verdediging van het geloof in God.

Dit artikel verscheen eerder in het wetenschappelijke tijdschrift Radix

LEES MEER

mm
Dr. Leon de Bruin (1979) studeerde psychologie en filosofie aan de Vrije Universiteit (VU) van Amsterdam en de Universiteit van Leiden. In 2010 promoveerde hij in Leiden op het proefschrift ‘Mind in Practice’, een interdisciplinair onderzoek naar hoe mensen elkaar begrijpen in alledaagse situaties. Na zijn promotie was hij als post-doc filosofie verbonden aan de universiteit van Bochum, waar hij onderzoek deed naar culturele verschillen in zelfbegrip en het begrijpen van anderen. Momenteel is hij universitair docent Taal en Cognitie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn interesse gaa tuit naar de psychologie, psychiatrie en cognitieve neurowetenschappen.
Meer van Leon de Bruin
Aantal reacties: Oeps, nog geen reacties. Wees de eerste die reageert!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *